Intern@tionale Interculturele Bruggen

home
e-mail

Scenario communicatieprojecten

Bart Lauret en Marit van Dijk


1 Ontwerpen van een project

1.1  Doelen

1.1.1 Hoofddoel van het project (SMART)

Internet en e-mail kunnen op verschillende manieren worden ingezet in het onderwijs. Het heeft echter weinig zin om “zomaar” online activiteiten toe te voegen aan een lessituatie (Warschauer & Whittaker, 1997).  Bij het ontwerpen van een communicatieproject is het van belang een duidelijk doel in gedachten te hebben. De inhoud en werkwijze van het project moeten op dit doel aansluiten.

Het stellen van een duidelijk doel is ook om een aantal andere redenen van belang:

Zorg ervoor dat alle doelen die worden nagestreefd in het project in SMART termen worden geformuleerd. SMART staat voor:

Specifiek : Het project moet duidelijk omschreven zijn; het moet niet te vaag zijn.

Meetbaar : Men moet duidelijk meetbare doelen stellen.

Acceptabel : Deze doelen moeten voor de deelnemers haalbaar zijn en door de deelnemers gedragen worden (nuttig en leuk gevonden worden).

Realistisch : Het project moet haalbaar zijn; men moet bijvoorbeeld over voldoende tijd en geld beschikken.

Tijdgebonden: Er moet een duidelijke tijdsplanning afgesproken worden. Dit om te voorkomen dat het project bijvoorbeeld te lang doorloopt of niet duidelijk wordt afgesloten.

1.1.2       Subdoelen

Naast het hoofddoel van het project zijn er allerlei nevendoelen te onderscheiden. Communicatieprojecten lenen zich bijvoorbeeld goed voor de ontwikkeling van vaardigheden, zoals communicatievaardigheden en computervaardigheden. Daarnaast maken projecten andere manieren van leren mogelijk. De manier van werken in het project wijkt nogal eens af van hoe er meestal in een klas gewerkt wordt. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om een actieve en betrokken houding van leerlingen waarin zelfstandig gewerkt wordt aan betekenisvolle activiteiten en waarbij ook vooral sociale vaardigheden worden ontwikkeld. Het is aan te raden om dit soort subdoelen goed in kaart te brengen. Meestal zijn bovenbeschreven processen impliciet onderdeel van wat de participanten beogen te bewerkstelligen. Door deze expliciet te maken in duidelijk beschreven subdoelen wordt het karakter van de inhoud helder en duidelijk voor de deelnemers en is de kans op misverstanden en teleurstellingen kleiner.

Er zijn verschillende nevengebieden waarbinnen doelen geformuleerd kunnen worden:

Welke nieuwe informatie moeten kinderen kennen? Let hierbij vooral op curriculumdoelen; zijn er inhoudelijke doelen die vervangend zijn voor de doelen uit de gangbare lesstof?

Welke nieuwe handelingen moeten kinderen kunnen verrichten?

Wat voor houding verwacht ik van de kinderen ten opzichte van de aangeboden onderwerpen? Door communicatie met mensen in andere culturen kan men bijvoorbeeld een positieve attitude naar andere culturen proberen te creëren.

 

1.2         Doelgroepen

1.2.1       Voor welke groepen

Er moet bepaald worden voor welke groepen het project bedoeld is. Aangezien de meeste communicatieprojecten gebruik maken van geschreven taal worden over het algemeen de groepen vier t/m acht gezien als de meest geschikte groepen voor deelname aan dit soort projecten. In een aantal gevallen wordt er al een communicatieproject gestart in de tweede helft van groep drie als kinderen al wat woordjes kunnen schrijven. Toch is het ook heel goed mogelijk om met jongere kinderen communicatieprojecten op te zetten. Beeldtaal, waarbij gebruik gemaakt wordt van gescande tekeningen en digitale foto´s lijkt een prima voertuig voor het gebruik in lagere groepen. Het ontwerpen van projecten van communicatieprojecten voor hele jonge kinderen hangt vooral af van de inventiviteit van de ontwikkelaars. Er zijn voorbeelden bekend van kleuters die met een digitale camera de school rondtrekken om op alle mogelijke plekken de letter L te fotograferen (Brugmans, 2000).

Internationale projecten worden door leerkrachten eigenlijk pas geschikt geacht vanaf de hogere groepen, aangezien deze projecten vaak in het Engels plaatsvinden. De groepen 7 en 8 zijn hiervoor het meest geschikt. Groep 7 heeft dan de voorkeur, gezien het specifieke eindejaarsprogramma van een groep 8.

Een belangrijke factor voor het bepalen van de geschikte doelgroep voor het beoogde project is tevens het onderwerp van het project. Een project dat vooral handelt rondom verwachtingen die leerlingen hebben ten aanzien van hun toekomst op de middelbare school en daarna, is bijvoorbeeld een project dat weliswaar goed in een groep zeven gebruikt zou kunnen worden maar juist vanwege het specifieke karakter van groep 8 (CITO toets, schoolkeuze en schoolverlater) eigenlijk bij uitstek geschikt is voor de hoogste groep van het basisonderwijs.

1.2.2       Specifieke eisen aan de doelgroep

Zorg voor een goede beschrijving van kennis en vaardigheden waarover de leerlingen die aan het beoogde communicatieproject gaan deelnemen moeten beschikken. Van belang hierbij is om na te gaan welke activiteiten in het project door de leerlingen moeten worden uitgevoerd en wat zij daarvoor minimaal moeten kennen en kunnen. Ga dit na voor de volgende gebieden:

Daarnaast kan het voorkomen dat bepaalde projecten ook specifieke eisen stellen aan organisatievormen en gehanteerde onderwijskundige modellen. Hierbij moet vooral aan de volgende vragen aandacht worden geschonken:

Neem bij het organiseren van een project niet je eigen situatie als norm en uitgangspunt.

1.3         Inhoud

Het karakter van het uit te voeren project is mede bepalend voor het succes. Er zijn projecten die qua organisatie dermate eenvoudig zijn dat succes in de uitvoering van het project vrij makkelijk haalbaar is. Andere projecten zijn dermate gecompliceerd dat succes afhankelijk is van meer factoren dan alleen één partnerschool en partnerleerkracht. Een voorbeeld van een eenvoudig project is het CIAO Berenproject. De weinig bewerkelijke opzet, het enthousiasme van de kinderen en de eenvoudig te organiseren leerlingactiviteiten maken het Berenproject meestal tot een succes.

Het taalvormende aspect dat aanwezig is in het Berenproject is van groot belang voor het succes ervan. Middels het Berenproject nemen de kinderen de taal mee naar huis. De activiteit van het meenemen van de beer naar huis stimuleert de taalvorming en brengt de schooltaal in huis en omgekeerd.

1.3.1       Waar gaat het project over?

Geschikte projectonderwerpen zijn eigenlijk alle onderwerpen die dichtbij de kinderen liggen en waar je feedback over kunt krijgen en over van mening kunt verschillen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:

1.3.2       Welke onderwerpen worden behandeld?

Als er een keuze is gemaakt voor een algemeen projectonderwerp, beschrijf dan de onderwerpen die in het project aan bod zullen komen. Werk het projectonderwerp uit en geef aan in welke volgorde de verschillende onderwerpen zullen worden behandeld. Dit kan er als volgt uitzien:

1.3.3       Welke sub-onderwerpen worden behandeld?

Werk vervolgens de (mogelijke) sub-onderwerpen uit. In het gegeven voorbeeld zou dat er als volgt kunnen uitzien:

o       Thuis spelen

§         eigen speelgoed

§         favoriete speelgoed

§         spelen met broertjes / zusjes

o       Buiten spelen

§         favoriete spelletjes

§         favoriete speelplek

§         spelen met buurtkinderen

o       School spelen

§         spelletjes in de klas

§         spelletjes op het schoolplein

§         spelletjes in de gymzaal

§         spelen met klasgenoten

o       Club en buurthuis

§         spelen in buurthuis (voor- en naschoolse opvang)

§         lidmaatschap van clubs

§         spelen met club- en buurthuisgenoten

Het gaat er niet om in de beschrijving een onderwerp uitputtend uit te diepen maar wel om een duidelijk overzicht van wat er in het project aan bod gaat komen. Uit bovenstaand voorbeeld zou bijvoorbeeld gekozen kunnen worden om in een project alleen het onderwerp ‘thuis spelen’ uit te diepen. Het zal ook erg afhangen van de beschikbare tijd in hoeverre er gekozen wordt voor meer of minder onderwerpen en sub-onderwerpen.

1.4         Activiteiten

1.4.1       Wat gaan de leerlingen doen?

Geef hier duidelijk aan wat de activiteiten van de kinderen tijdens het project zullen zijn. Denk aan de volgende leerlingactiviteiten:

·        Brieven schrijven en versturen met e-mail

·        Het meesturen van zgn. attachments met e-mail (bijvoorbeeld in de vorm van word-documenten of foto's)

·        Chatten

·        Kant en klare werkbladen maken

·        Groepsactiviteiten in de eigen klas

·        Bijdragen leveren aan een forum op het Internet

·        Digitale foto’s maken

·        Werken met video

·        Tekeningen maken

·        Tekeningen scannen

·        Werk (tekeningen, foto’s en teksten) publiceren op het Internet of Intranet

·        Websites maken

·        Werken met multimedia

·        Zelf maken van multimedia

·        Invullen van evaluatieformulieren

·        etc.

In de praktijk blijkt dat projecten die veelal ´open´ opdrachten hanteren veel vragen van de leerkracht. De leerkracht moet zich in deze gevallen vaak extra verdiepen in de behandelde onderwerpen. Dit komt het succes van dergelijke ´open´ projecten niet ten goede. Opdrachten moeten bij voorkeur precies en duidelijk gedefinieerd zijn. Het is aan te bevelen leerlingen specifieke opdrachten te geven (Healey, Robb & Corio, 1998).

In de praktijk is gebleken dat om e-mail uitwisselingen voor alle kinderen boeiend te houden, er vooral korte berichten moeten worden uitgewisseld en het liefst met meer verschillende personen tegelijk of na elkaar.

Het gebruik van gerichte en frequente opdrachtkaarten is ook een manier om meer structuur te bieden aan de leerlingen.

1.4.2       Is er verschil tussen activiteiten van de leerlingen van de verschillende partnerscholen?

Maak duidelijk of alle leerlingen dezelfde activiteiten zullen ondernemen of dat het de bedoeling is dat verschillende groepjes leerlingen, in dezelfde klas, in hetzelfde project verschillende activiteiten zullen gaan uitvoeren.

Het kan zijn dat in bepaalde samenwerkingsprojecten niet alle partnerscholen aan dezelfde activiteiten werken. In dat geval is het van belang om van tevoren duidelijk te beschrijven welke leerlingactiviteiten van welke partnerschool verwacht worden. In het hieronder gegeven voorbeeld ondernemen verschillende scholen in hetzelfde project verschillende activiteiten.

In een Internationaal uitwisselingsproject tussen een school in Duitsland, Nederland en Engeland wordt onderzocht hoe de tweede wereldoorlog is beleefd door de ouders van de leerlingen en welke verschillen in beleving er zijn. De school in Nederland produceert een aantal tekeningen en schilderwerkstukken die in digitale vorm gepresenteerd zullen worden. De Duitse school produceert fotografisch beeldmateriaal gecombineerd met geluidsfragmenten die ook digitaal gepresenteerd zullen worden. De Engelse school produceert teksten die ook digitaal gepresenteerd zullen worden. Een gezamenlijke redactie stelt een website samen waarop het geproduceerde materiaal tot een geheel is samengesmeed.

1.4.3       Wat gaan de leerkrachten doen?

Geef aan wat er van de leerkrachten verwacht gaat worden. Maak ook hier een duidelijk overzicht van leerkrachtactiviteiten:

·        Onderhouden van contacten met de partnerscho(o)l(en)

·        Maken van materialen

·        Nakijken van producten

·        Geven van lessen

·        Geven van begeleiding

·        Aanleren van nieuwe eigen vaardigheden

·        Het leren van nieuwe vaardigheden aan leerlingen

·        Aanleveren van inhoudelijk materiaal

·        Organiseren van bijeenkomsten (face-to-face of digitaal)

·        Presentaties op conferenties

·        Invullen van evaluaties

·        etc.

1.4.4       Is er verschil tussen activiteiten van de leerkrachten van de verschillende partnerscholen?

Het kan zijn dat in bepaalde samenwerkingsprojecten niet alle leerkrachten dezelfde activiteiten ontplooien. In dat geval is het van belang om van tevoren duidelijk te beschrijven welke leerkrachtactiviteiten van welke partnerschool verwacht worden.

1.4.5       Welke gezamenlijke activiteiten tussen leerlingen en / of leerkrachten van de partnerscholen worden ondernomen?

Denk hierbij aan gezamenlijke projectopeningen, projectafsluitingen en gezamenlijke bijeenkomsten tussendoor. Deze kunnen zowel virtueel als in het echt plaatsvinden. Ook moet hier gedacht worden aan gezamenlijke ´online´ tijd in bijvoorbeeld projecten waarin kinderen samenwerkend leren. In een project waarin gewerkt wordt met synchrone chat is het voor de participanten van belang om te weten hoeveel chatsessies er gepland zijn en wanneer. Natuurlijk moet men ook afspreken welk programma er gebruikt gaat worden voor de chat.

1.4.6       Rollen van de leerkracht

De leerkracht speelt verschillende rollen in deze projecten:

De leerkracht moet van tevoren o.a. een tijdsplanning maken.

De leerkracht moet ervoor zorgen dat aan verschillende voorwaarden voor het project wordt voldaan, bijvoorbeeld dat er voldoende computers zijn, of dat de leerlingen in groepjes worden ingedeeld indien nodig.

Kinderen moeten vragen kunnen stellen. De leerkracht fungeert als vraagbaak bij problemen en kan oplossingen bieden of in de richting van mogelijke oplossingen sturen.

De leerkracht controleert op inhoud en op naleving van regels en afspraken.

De leerkracht motiveert leerlingen door middel van het levend houden van de activiteit, het aandragen van nieuwe invalshoeken en het omhooghalen van mogelijke nieuwe ideeën.

1.5         Materialen

1.5.1       Welke materialen zijn er minimaal nodig om het project te kunnen uitvoeren?

Zorg voor een lijst van benodigde materialen (voor zowel leerlingen als leerkrachten) die bij de uitvoering van het project gebruikt gaan worden.

Te denken valt aan:

·        Werkbladen

·        E-mail sjablonen

·        Instructiebladen

·        Elektronische invulbladen

·        Handleidingen voor leerkrachten

·        Achtergrondinformatie

·        Landeninformatie

·        Lesbrieven

·        etc.

Neem voorbeelden op van materialen en geef ook aan wie de materialen aanlevert en wanneer. In bepaalde projecten is het verstandig om leerlingen specifieke hulpmaterialen aan te reiken. Bij Internationale projecten waarbij taalverschillen een rol spelen blijken bijvoorbeeld lesbrieven voor leerkrachten en leerkrachten goed te werken. Dit zijn bijsluiters voor de docenten met onderwijskundige en didactische aanwijzingen (hoe men de les moet aanpakken, waar men op moet letten, etc.).

Bepaal ook de eisen die er worden gesteld aan hardware en software.

1.6         Producten

Beschrijf welke producten er gemaakt worden tijdens het project. Denk hierbij aan verschillende producten:

·        E-mailberichten;

·        Tekeningen;

·        Word-documenten;

·        Digitale plaatjes (foto´s);

·        Videobeelden (al dan niet digitaal);

·        Websites of webpagina´s van deelnemers;

·        Webcam-beelden;

·        Etc.

Beschrijf wat er gaat gebeuren met de producten die in het project gemaakt worden. Er zijn verschillende mogelijkheden om die producten te gebruiken:

·        Uitprinten en op papier verder gebruiken door bijvoorbeeld:

o       Inplakken van geprinte e-mail berichten en plaatjes;

o       Gebruik van geprinte producten in verslagen, projectboekjes, dagboeken, weekverslagen, jaarboeken en bijvoorbeeld leerlingrapporten. Deze boekjes kunnen vervolgens weer gebruikt worden als leesboekje.

·       Maken van beeldboeken. Hierbij worden door de leerlingen over en weer foto’s beschreven die op hun beurt weer bijdragen aan de taalontwikkeling.

·        Producten kunnen gebruikt worden om in de school een tentoonstelling in te richten;

·        Producten kunnen gebruikt worden om een projectwebsite in te richten;

·        Kinderen kunnen hun eigen projectpagina´s digitaal tentoonstellen.

De verwerking van de producten die ontstaan in het project lukt alleen als er ook echt tijd voor uitgetrokken wordt. Welke vormen van verwerking haalbaar zijn, is mede afhankelijk van het geld dat voor die verwerking gebruikt zou kunnen worden.

1.7         Tijdsduur en tijdsinvestering

Er moet duidelijk worden aangegeven hoeveel tijd het project gaat kosten. Geef in de planning van het project duidelijk aan hoeveel tijdsinvestering er van alle betrokkenen (coördinatoren, leerkrachten, leerlingen, externe betrokkenen) in het project minimaal wordt verwacht, zo mogelijk uitgesplitst per week.

Zorg voor een duidelijke en realistische (haalbare) planning. Elk project moet een begindatum en einddatum kennen die aan alle deelnemers bekend is. Er moet binnen die planning een goed evenwicht worden gevonden tussen de opbrengsten van het project en de tijdsinvestering van de betrokkenen.

Het is aan te raden om structureel tijd in te plannen voor overleg tussen de partnersscholen, maar er moet voor gewaakt worden dat de tijd die de deelnemers voor dit overleg moeten inruimen in verhouding is met de grootte van het project.

Een project moet haalbaar zijn en goed te doen. Dit betekent dat de beschikbare tijd niet moet worden volgepland maar dat er ruimte in de planning moet zijn.

Aangezien men, zeker bij nieuwe projecten, altijd tegen onvoorziene problemen op kan lopen is het zinnig om 'extra' tijd in te plannen. Bijvoorbeeld voor het geval er vertraging ontstaat door technische problemen, of de leerlingen toch minder ervaring hebben met de te gebruiken software en apparatuur dan voorzien waardoor het langer duurt om opdrachten uit te voeren. De te investeren tijd in het project is mede afhankelijk van de kennis en vaardigheden van leerkrachten en leerlingen.

1.8         Plaats in curriculum

Het project moet niet te veel tijd opslokken en niet erg verstorend zijn voor het gangbare leerprogramma. Probeer het project in te passen in het lesprogramma (aansluiten op de lesstof zodat het ook lesstof kan vervangen). De mate waarin opdrachten aansluiten bij de behandelde stof uit de methode zijn van invloed op het succes van het project. Het gebruik van elektronische communicatie geeft het beste resultaat wanneer de activiteiten en projecten goed geïntegreerd zijn in het gehele curriculum. Er bestaat een significant verschil in onderwijskundige resultaten afhankelijk van of e-mail een 'extra' is of wordt geïntegreerd in het onderwijs (Warschauer & Whittaker, 1997).

1.8.1       Waar in te passen in bestaande lesstof

E-mailprojecten zijn vooral erg makkelijk in te passen in het taalcurriculum en dan met name daar waar het gaat om stelopdrachten. Als je ook andere taalaspecten uit het curriculum in je projecten zou willen inpassen dan moet je de methode die je gebruikt op je school doorspitten en gaan inventariseren welke delen je zou kunnen vervangen middels e-mail opdrachten. Als hieraan begonnen wordt is het vooral succesvol gebleken om heel concreet, met kleine stapjes, te beginnen en niet te veel ineens te willen doen. Houd er wel rekening mee dat leerkrachten verschillend zijn en daardoor verschillende ontwikkelingen doormaken. Niet iedereen gaat in hetzelfde tempo mee.

Bij het mogelijk aansluiten op de methode en het ontwikkelen van een bepaalde opbouw in het aanbod moet vooral gedacht worden aan 2 gebieden:

Denk bij het inpassen van het project in de bestaande lesstof bijvoorbeeld aan de volgende mogelijkheden:

·       In de taallessen kun je stelopdrachten vervangen door e-mail. Stellen gebeurt dan via e-mail en niet op een andere manier.

·       Scholen die al projectmatig werken kunnen projecten doen waarbij een e-mail project rond het projectthema wordt georganiseerd. Verschillende aardrijkskunde, geschiedenis en wereldoriëntatie-achtige onderwerpen kunnen daarvoor genomen worden. De mogelijkheden zijn ook afhankelijk van de methodes die gebruikt worden.

1.8.2       Welke stof kan vervallen

Maak duidelijk welke stof uit het reguliere lesprogramma kan vervallen bij die kinderen die deelnemen aan het project. Het kan zijn dat de activiteiten in het project  bepaalde lesstof helemaal vervangen. Ook kan gedacht worden aan het inkorten van reguliere lesstof. Sommige scholen zoeken de oplossing in het inkorten van taallesjes, waarbij in het project participerende kinderen maar de helft van de taalopdrachten uit het lesboekje maken in plaats van de gehele opdracht.

Het is moeilijk om leerkrachten te verleiden tot het doen van projecten die curriculumvervangend zijn. Leerkrachten zijn soms bang om hun geijkte lesmethode los te laten. Ze kunnen eraan twijfelen of het communicatieproject wel dezelfde lesstof dekt als de bestaande methode.

1.8.3       Plaats in de doorgaande lijn

Geef aan op welke andere activiteiten wordt aangesloten. Geef aan welke specifieke curriculum gebonden onderdelen, kennis en vaardigheden binnen het project aan de orde komen.

Beschrijf welke nieuwe kennis en vaardigheden zullen worden aangeleerd in het project. Een goede beschrijving hiervan draagt bij aan de motivatie van leerkrachten om dit soort projectactiviteiten een plek te geven binnen het dagelijkse lesprogramma. Als duidelijk is welke ‘reguliere’ lesonderdelen worden vervangen door de projectactiviteiten voelen leerkrachten zich zekerder als het gaat om het weglaten van stukken lesstof voor het uitvoeren van deze activiteiten.

Begin met communicatieprojecten vooral op een laag niveau en bouw verder op succeservaringen. Men moet de complexiteit van een dergelijk project niet onderschatten. Er kunnen allerlei problemen opduiken, van technische problemen tot gebrek aan kennis bij leerkrachten en leerlingen. Het is daarom aan te raden om niet te ambitieus te zijn in het begin. Het is beter om klein te beginnen en activiteiten te ontwikkelen die een duidelijk doel hebben en goed geïntegreerd zijn in de doelen van de klas (Warschauer & Whittaker, 1997).

1.9         Beschrijving van het project

Voordat er begonnen kan worden met een communicatieproject is het van belang om het project in algemene bewoordingen te beschrijven zodat (potentiële) participanten snel een indruk kunnen krijgen wat het project voor hen gaat betekenen. Leerkrachten besluiten over het algemeen pas om ergens aan mee te doen als ze kunnen inschatten wat er van hen en van hun leerlingen verwacht wordt, hoeveel tijd het ze gaat kosten en welke producten er moeten worden opgeleverd.

Beschrijf het communicatieproject globaal op de eerder besproken onderdelen:

Zorg verder dat er bij de beschrijving van het project praktische voorbeelden worden gegeven, bijvoorbeeld in de vorm van sjablonen die in het project gebruikt gaan worden.


Intern@tionale Interculturele Bruggen  ^

home
e-mail

2  Uitvoeren van een project

2.1         Randvoorwaarden waaraan moet worden voldaan alvorens met het project te kunnen starten

Om succesvol te kunnen participeren in een communicatieproject waarbij gebruik gemaakt wordt van ICT moet er aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan:

·        Er moet voldoende hardware aanwezig zijn en die moet het doen (voldoende is in principe één PC met een internetverbinding);

·        Er moet op de school voldoende kennis en vaardigheid aanwezig zijn om te kunnen omgaan met de software en de hardware;

·        Er moet geld en tijd beschikbaar zijn voor het uitvoeren van een project zodat hiervan ook materialen kunnen worden aangeschaft;

·        Er moet op school een ´trekker´ zijn, iemand die de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het project op zich neemt en de coördinatie op schoolniveau regelt;

·        Er moet structureel tijd in het weekrooster worden ingeruimd voor activiteiten van het project;

2.1.1       Besluitvorming

De besluitvorming binnen de school is cruciaal voor een succesvolle deelname aan een project.

De besluitvorming voor deelname aan dergelijke projecten zou strategisch moeten worden voorbereid in het management. Met klassenleerkrachten wordt deelname besproken. De uiteindelijke beslissing om mee te doen ligt bij de groepsleerkrachten zelf. Niet de ICT’er hoort te besluiten over deelname aan projecten maar de groepsleerkrachten die het moeten uitvoeren horen de beslissing rondom deelname zelf te nemen, al dan niet op aangeven van de ICT coördinator. Uitvoerende mensen moeten niet gestuurd worden door hun directie of deelnemen omdat het nou eenmaal zo besloten is maar vanuit hun eigen motivatie. De menselijke component in het project is van prominent belang: De deelnemende personen moeten het willen doen. Zij  moeten de prestatie willen leveren.

Er moet duidelijk zijn wat de meerwaarde van het project voor de leerkracht is. Mogelijke voordelen zijn:

·        De motivatie van een groot deel van de deelnemende kinderen neemt heel erg toe.

·        Contacten met andere leerkrachten verbreden de blik van de deelnemende leerkrachten.

Eerdere succes ervaringen met projecten helpen erg mee om weer mee te doen en om leerkrachten die nog nooit hebben meegedaan over de streep te trekken.

In de praktijk blijkt dat het succes van projecten afstraalt op de motivatie van collega’s van leerkrachten die hebben deelgenomen aan die projecten. Als om wat voor reden dan ook een project niet zo lekker loopt, blijkt in de praktijk dat collega’s minder vlug geneigd zullen zijn deel te nemen aan soortgelijke projecten.

De leiding en / of de ICT-coördinator kan zorgen voor positieve feedback op het werk van de leerkrachten. De schoolleiding moet de docenten aanmoedigen en motiveren om zich met dergelijke projecten bezig te houden en er tijd en moeite in te investeren.

2.1.2       Begeleiding

Het rendement van dit soort projecten is hoger naarmate de uitvoering in de groepen beter begeleid kan worden. Deels is dat begeleiding van leerkrachten in de klas en deels begeleiding van de kinderen door de leerkracht bij het maken van de producten.

De leerkracht kan een beperkende factor zijn in communicatieproject. De leerlingen leren veel handelingen heel vlug zelf en kunnen erg snel zelfstandig werken, maar uiteindelijk moeten ze ook een beroep op de leerkracht kunnen doen. Vooral de wat moeilijker lerende kinderen hebben extra aandacht nodig bij deelname aan een communicatieproject. Leerkrachten moeten juist hen hulp bieden, om te voorkomen dat de leerlingen zich overweldigd voelen door het project (Warschauer & Whittaker, 1997).

Deelnemende leerkrachten moeten goed begeleid worden, maar het karakter van de begeleiding moet zijn gericht op hoe de leerkracht het project vooral zelf kan organiseren en uitvoeren in de groep. Men kan hierbij denken aan ondersteuning van de ICT-coördinator of een begeleidingsdienst. Facilitering is een sterk middel voor het slagen van projecten. Zo zouden bijvoorbeeld aanwezige taalcoördinatoren op onderwijskansenscholen ingezet kunnen worden om dergelijke projecten te trekken. Daardoor hoeven groepsleerkrachten zoiets niet alleen te doen en kan een project worden ingebed in het totale leerstofaanbod. Men kan ook denken aan het actief inzetten van bijvoorbeeld de taalgroep van de schoolbegeleidingsdienst. Ook zou men kunnen kijken in hoeverre er ouders kunnen worden ingezet.

Het kan demotiverend zijn voor de leerkracht wanneer een aantal kinderen uiteindelijk op het gebied van computervaardigheden meer kent en kan dan de leerkracht. Hierdoor kan de betrokkenheid van de leerkracht bij projecten verslappen. De oplossing voor deze problematiek zou bijvoorbeeld een goed ondersteuningssysteem zijn waarin van tevoren wordt voorzien welke problemen kinderen in de projecten kunnen tegenkomen en de vragen die kinderen op basis van die problemen kunnen gaan stellen aan de leerkracht. Als de leerkracht beschikt over een goede ‘database’ met te stellen vragen en hun oplossingen zou je wellicht kunnen anticiperen op dit probleem (exemplary based learning voor leerkrachten). Het opzetten van VVV lijsten (Veel Voorkomende Vragen) kan in die zin een goed hulpmiddel zijn voor leerkrachten

De begeleiding van de producten van de kinderen kan bijvoorbeeld bestaan uit het controleren van e-mails. Men kan letten op spel- en taalfouten, maar ook kijken of bijvoorbeeld de vragen van de mailmaat wel worden beantwoord. Samenwerking bij het maken van de producten moet voral aangemoedigd worden (Healey, Robb & Corio, 1998).

Voor het omgaan met de specifieke taalproblemen in een Internationaal (Engelstalig) project zijn een aantal mogelijkheden:

·        Men kan gebruik maken van eventueel in de school aanwezige Engelstalige kinderen.

·        Men kan onderdelen inzetten bij huiswerk, zodat vertalingen samen met ouders of buurtgenoten gedaan kunnen worden

·        Iemand in de school kan gefaciliteerd worden om vertalingen te verzorgen. Zorg ervoor dat er tijd en / of geld is voor het vertalen.

·        Kinderen kunnen echter zelf ook heel veel, zeker wanneer men gebruik maakt van formats (voorbeeldzinnen) zoals bijvoorbeeld in het project 'Het Beeld van de Ander'.

2.1.3       Het vinden van (een) geschikte partner(s)

Het is van belang dat het communicatieproject wordt uitgevoerd in samenwerking met een geschikte partner. Kies andere leerkrachten waarmee gewerkt gaat worden zorgvuldig:

·       De leerkrachten moeten willen samenwerken. Dit houdt in dat ze zowel het succes als de problemen van het project willen delen en willen vaststellen wat er kan worden gedaan om het te verbeteren (Mello, 1998). Sommige leerkrachten zijn erg behulpzaam en communiceren veel, terwijl anderen niet communiceren met andere leerkrachten en hun leerlingen niet motiveren om te mailen (Vilmi, 1994).

·       De verschillende deelnemers moeten het leuk vinden om met elkaar te werken. Het moet 'klikken' tussen de deelnemers.

·       Het is van belang dat de partners het eens zijn over wat ze met het project willen bereiken en hoe ze van plan zijn om dit te doen. Zorg voor overeenstemming tussen betrokkenen rondom de vormgeving van het project. Zorg ervoor dat alle leerkrachten hetzelfde doel in gedachten hebben. Als men het niet eens is, kan men beter met het project stoppen (Mello, 1998).

·       Gebruik in de projecten vooral scholen waarbij je van tevoren al een beetje kunt inschatten dat het enigszins goed zal gaan lopen. (Let hierbij op schoolvoorwaarden: een strak georganiseerde klassikale school is een minder gunstige omgeving voor dergelijke projecten).

Er zijn verschillende manieren om andere klassen / scholen te vinden om mee samen te werken. Je kan dit doen door collega scholen te bellen of te mailen, of door een oproep te doen via bijvoorbeeld de site of andere onderwijs sites.

2.1.4       Afspraken

Het is van belang dat er duidelijke afspraken worden gemaakt tussen alle betrokken partners over hoe en wanneer het project wordt uitgevoerd. Deze afspraken moeten op verschillende niveaus worden gemaakt

Afspraken tussen deelnemers

Er moeten duidelijke, concrete en gedetailleerde afspraken worden gemaakt tussen de verschillende deelnemers. Maak een lijst van af te vinken afspraken.

Denk hierbij aan het volgende:

·       Het moet duidelijk zijn hoe de leerkrachten de mailmaat-relatie willen inpassen in het eigen curriculum (als "extra" activiteit of als integraal onderdeel van het lesprogramma) (Robb, 1996).

·       Het moet duidelijk zijn hoe de deelname van de leerlingen zal worden beoordeeld. Beide leerkrachten moeten ongeveer evenveel waarde hechten aan het project, aangezien dit van invloed is aan de frequentie en de kwaliteit van de berichten (Robb, 1996).

·       Het moet duidelijk zijn hoe vaak de correspondentie zal plaatsvinden en hoe lang de emails zullen zijn (Robb, 1996).

·       Maak duidelijke afspraken rondom de kwaliteit van de door de leerlingen op te leveren producten:

-         Zorg er voor dat het werk van kinderen goed leesbaar en begrijpelijk is.

-         Zorg ervoor dat alle ontvangen mail beantwoord wordt.

Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het naleven van deze “regels” voor een groot deel afhankelijk is van een aantal externe factoren als drukte, organisatie en leerkrachtvaardigheden.

·       Stel beleefdheidsregels op en stem die ook af met de partnerschool.

·       Stel een duidelijk begin- en eindtijd van het project vast samen met de andere leerkrachten (Mello, 1998). De schooltijden en schoolvakanties kunnen hierbij voor problemen zorgen, zeker bij internationale projecten waarbij deze ongelijk lopen. Het is lastig als de ene school vakantie heeft en de andere niet (Vilmi, 1994).

·       Spreek af welke software gebruikt gaat worden, welke bestandsformaten men kan gebruiken en of men veel attachments gaat sturen of juist niet.

Afspraken binnen de eigen school

Er moet tijd en materiaal beschikbaar zijn binnen de school om het project uit te kunnen voeren. Zorg er bijvoorbeeld voor dat er voldoende computers beschikbaar zijn en zorg indien nodig voor ondersteuning.

Afspraken met de leerlingen

Men kan de leerlingen betrekken bij het nemen van beslissingen (Warschauer & Whittaker, 1997). Zo kan men leerlingen vragen zich te binden aan het project.

Een aantal dingen is belangrijk:

·       Maak afspraken met de leerlingen over het lezen van hun e-mail. Maak duidelijk wat er gelezen zal worden door de leerkracht (Healey, Robb & Corio, 1998).

·       Een aantal scholen spreekt met kinderen af dat het werk van de kinderen vóór het verstuurd wordt eerst nagekeken wordt op spelfouten en inhoud.

·       Bespreek een aantal van de gemaakte afspraken met de leerlingen, zoals beleefdheidsregels, regels over de vorm en hoeveelheid van correspondentie.

2.1.5       Bijeenkomsten en contacten

Een goede communicatie tussen de deelnemende leerkrachten is een randvoorwaarde voor een geslaagd project. De contacten tussen de betrokken leerkrachten zijn bepalend voor het succes. Men moet altijd contact hebben met de ander. Onderhoud persoonlijk (e-mail)contact met de andere leerkrachten die meedoen aan het project (Mello, 1998). Daarnaast is het van belang om te zorgen voor echte contacten (echte communicatie). Dit wil in de eerste plaats zeggen dat men bij voorkeur face-to-face of over de telefoon moet communiceren. Zorg er voor dat de communicatie betekenisvol en concreet is.

Wanneer, op welke manier en met welke frequentie er overleg tussen de partners plaatsvindt moet goed worden afgesproken en voor alle partners duidelijk zijn. Zorg in ieder geval voor een overleg tussen alle betrokken partners voor de aanvang van het project. Indien mogelijk is het zeer wenselijk om elkaar daadwerkelijk te ontmoeten. Houd in het budget voor het project rekening met een eventueel bezoek aan de partner scho(o)l(en). Op deze manier kan men mogelijk contact leggen voor een langdurige samenwerking. Mocht een fysieke ontmoeting, vanwege bijvoorbeeld internationale projecten, niet mogelijk zijn, probeer dan een virtuele bijeenkomst te organiseren. Dit kan via een chat programma, een video chat programma (bijvoorbeeld Netmeeting) of gewoon een groepstelefoongesprek.

Bij het onderhouden van face-to-face contacten zijn een aantal dingen van belang:

·        Inhoud van de contacten:

Bedenk wat er aan de orde moet komen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de voorbereiding en de voortgang van het project.

·        Speciale aandacht voor enthousiasmeren:

Men moet de mogelijke partners enthousiast maken voor het project

·        Mogelijkheid om alsnog deelname te annuleren:

Geef leerkrachten bij het organiseren ook de gelegenheid om zich nog terug te trekken op het moment dat ze duidelijk zijn geïnformeerd over de inhoud en de activiteiten.

·        Afspraken virtueel contact tussen project partners:

Maak duidelijke afspraken. Bespreek wanneer het project moet worden uitgevoerd, maar ook hoe het project wordt uitgevoerd.

·        Afspraken gezamenlijk virtueel contact ter versterking community:

Maak eventueel nieuwe afspraken voor face-to-face contact, die het virtuele contact weer kunnen versterken. Als face-to-face contacten goed verlopen is succes eerder te verwachten dan wanneer dat niet het geval is. Door middel van face-to-face bijeenkomsten kan men stimuleren dat de uitvoerende mensen elkaar zien zitten.

2.1.6       Voorbereiden

Het is aan te raden om de activiteiten in het project eerst zelf uit te proberen (Healey, Robb & Corio, 1998). Daarnaast kan de leerkracht indien nodig van te voren op zoek gaan naar relevante informatie. Download daarbij de websites die bewaard moeten worden (Healey, Robb & Corio, 1998).

Bij het voorbereiden van de leerlingen zijn een aantal dingen van belang:

·       De leerlingen moeten over de technische vaardigheden beschikken om te kunnen e-mailen en over voldoende taalvaardigheid beschikken om effectief te kunnen communiceren (Robb, 1996). Zorg ervoor dat alle leerlingen weten hoe ze moeten e-mailen. Als ze niet kunnen e-mailen, geef ze dan de informatie die ze nodig hebben om hun taak te volbrengen (Mello, 1998). Leerlingen moeten leren om een e-mailprogramma te gebruiken, hoe ze hun mails moeten editen en mogelijk hoe ze een spellingscontrole moeten gebruiken (Vilmi, 1994).

·       Voor de leerlingen hun eerste bericht naar het buitenland sturen is het een goed idee om ze eerst onderling te laten oefenen (Robb, 1996).

·       Bied de leerlingen een set van zinnen die ze kunnen gebruiken als begin of eind van hun bericht en dergelijke. Aan de hand van een paar voorbeelden van goede berichten kunnen leerlingen leren hoe een bericht eruit hoort te zien. Deze voorbeelden kunnen tevens gebruikt worden om de structuur van een mail te tonen (Robb, 1996).

·       Zorg voor het matchen van de mailmaten. Het kan moeilijk zijn om voor iedereen een mailmaat te vinden (zeker bij klassen van ongelijke grootte) (Vilmi, 1994). In dat geval kan men ervoor kiezen om enkele leerlingen meerdere mailmaten te geven.

·       Geef elke leerling een emailadres van een mailmaat en controleer of dit emailadres juist is (Mello, 1998).

·       Zorg ervoor dat de leerlingen regelmatig naar hun mailmaat mailen en dat ze alle ontvangen mails beantwoorden (Mello, 1998).

·       Let zowel op de vorm als op de inhoud van de e-mail (Healey, Robb & Corio, 1998). 

·        Leer de leerlingen netiquette (omgangsvormen op het internet) (Healey, Robb & Corio, 1998) (zie bijlage 3.4.4).

·       Besteed aandacht aan veiligheid. Vertel leerlingen dat ze geen persoonlijke informatie moeten uitwisselen, zoals hun volledige naam en adres (Healey, Robb & Corio, 1998).

·       Vertel de leerlingen over copyright. Zorg ervoor dat de leerlingen geen materiaal waar copyright opzit downloaden en mogelijk op een eigen website plaatsen. Vraag toestemming van auteurs om materiaal te gebruiken (Healey, Robb & Corio, 1998).

·        Wees gemotiveerd en doe je best om leerlingen te motiveren (Mello, 1998).

·        Bied leerlingen hulp wanneer ze het nodig hebben (Mello, 1998).

·        Zorg ervoor dat de leerlingen zich binden / vastleggen aan het project en aan jou (Mello, 1998).

2.1.7       Continuïteit

Van wezenlijk belang is de continuïteit van de activiteiten en de continuïteit van de leerkracht. Het is niet goed voor het project als de uitvoer hiervan wordt onderbroken door afwezigheid van de docent (bijvoorbeeld door ziekte of een cursus). Een goed project kan bijvoorbeeld op een school nogal rommelig eindigen omdat deelnemende leerkrachten van school weggaan en de klas door LIO’ers moet worden gerund.

2.2         Uitvoering

Een aantal tips:

·        Ga ervan uit dat niet alles zal lopen zoals gepland (Healey, Robb & Corio, 1998).

·        Reken er niet op dat leerlingen automatisch zullen schrijven en antwoorden zoals afgesproken (Healey, Robb & Corio, 1998).

·        Reken er niet op dat leerlingen alles begrijpen wat je ze vertelt; maak duidelijke hand-outs die stap-voor-stap uitleggen wat ze moeten doen aan de hand van voorbeelden en screenshots (Healey, Robb & Corio, 1998).

·        Zorg ervoor dat leerlingen niet meer naar hun monitor kijken, of de monitor uitdoen, wanneer je tegen ze praat. Leerlingen voor computers luisteren slecht (Healey, Robb & Corio, 1998).

·        Laat niet alle leerlingen tegelijk inloggen op dezelfde website; deel ze in groepen in en laat ze na elkaar inloggen om overbelasting van de website en het netwerk te voorkomen (Healey, Robb & Corio, 1998).

2.2.1       Introductie

Zorg voor een introductie van het project. Laat de kinderen zich aan elkaar voorstellen aan het begin van het project. Hoewel het gebruiken van verschillende media binnen communicatieprojecten een grote stap kan zijn, kunnen video, foto’s en dia’s constructief werken in bijvoorbeeld de voorstelfase zodat de deelnemers van elkaar weten wie de betrokkenen zijn.

2.2.2       Evaluatie

Zorg voor een goed geplande periode van evaluatie na afloop van het project. Er zijn verschillende mogelijkheden om een projectperiode te evalueren:

Een enquête heeft meer structuur dan een vraaggesprek of een evaluatiebijeenkomst en maakt over het algemeen gebruik van gesloten vragen. Vraaggesprekken of evaluatiebijeenkomsten zijn minder gestructureerd en maken gebruik van open vragen (Verschuren & Doorewaard, 1998). Aangezien een enquête in principe minder tijd kost dan een vraaggesprek kan men zo makkelijker meer deelnemers ondervragen. In een vraaggesprek kan men echter dieper op verschillende onderwerpen ingaan (Verschuren & Doorewaard, 1998). Men kan in een vraaggesprek makkelijker om toelichting of voorbeelden vragen. Men moet ook rekening houden met de tijd die het kost om de verkregen gegevens te verwerken.

Bedenk van tevoren wat je precies wilt evalueren en hoe je dat het beste kan doen. Houdt hierbij ook rekening met het verwerken van de resultaten. Zorg voor materialen om mee te evalueren, zoals vragenlijsten (zie bijlage 3.5.1 en 3.5.2). Welke vragen men stelt is afhankelijk van het doel en de subdoelen van het project.

Welke methode ook gekozen wordt, van belang is om niet alleen te vragen naar de ervaringen en de op- en aanmerkingen van leerkrachten, maar om ook de leerlingen hierin te betrekken. Vaak kunnen nuttige aanwijzingen verkregen worden door juist de kinderen te vragen naar hun ideeën.

Zorg er ook voor dat de verzamelde evaluatiegegevens leiden tot een aanpassing van het project en maak van tevoren duidelijk naar de deelnemers wie daarvoor verantwoordelijk is en hoe dit zal gaan plaatsvinden. Zorg ervoor dat alle participanten de, op basis van de evaluatiegegevens aangepaste, versie in hun bezit krijgen.

2.2.3       Afsluiting (mogelijk gezamenlijk)

Er zijn diverse mogelijkheden om een project af te sluiten. Een gezamenlijke afsluiting van een project is altijd een aanrader en geeft een project een extraatje mee. Het afsluiten van een project door middel van een gezamenlijke activiteit wordt als positief ervaren. Naast dat extraatje is het natuurlijk de mogelijkheid voor de deelnemende leerlingen en leerkrachten elkaar ´in het echt´ te zien. Dit laatste aspect geeft de virtuele activiteiten een betekenisvol realiteitstintje mee waardoor de motivatie bij de deelnemers om in de toekomst deel te nemen aan gelijke projecten alleen maar toeneemt.

Zoals gezegd: het mooiste is een afsluiting waarbij alle deelnemers elkaar fysiek ontmoeten maar in een aantal gevallen is dit vanwege plaats, tijd, budget e.d. niet mogelijk. In die gevallen kan gedacht worden aan de volgende mogelijkheden.


Intern@tionale Interculturele Bruggen  ^

home
e-mail

3   Bijlagen

3.1         Lijst met succesfactoren

Er zijn verschillende succesfactoren te onderscheiden:

·        De opbrengsten van de projecten blijken hoger te zijn naarmate de onderwerpen van het project meer de deelgebieden uit het schoolcurriculum vervangen.

·        Er is een significant verschil in onderwijskundige resultaten afhankelijk van of e-mail een 'extra' is of wordt geïntegreerd in het onderwijs (Warschauer & Whittaker, 1997).

·        Het project moet niet te veel tijd opslokken en niet erg verstorend zijn voor het gangbare leerprogramma.

·        Het rendement van deze projecten kan beter als de uitvoering in de groepen beter begeleid wordt. Deels is dat meer begeleiding van leerkrachten en deels meer en intensievere begeleiding van de producten van de kinderen.

·        Het is van belang dat het communicatieproject wordt uitgevoerd in samenwerking met een geschikte partner.

·        Het is van belang dat er duidelijke afspraken worden gemaakt tussen alle betrokken partners over hoe en wanneer het project wordt uitgevoerd. Uiteraard is daarbij ook van belang dat deze afspraken worden nagekomen.

·        Een goede communicatie tussen de deelnemende leerkrachten is een randvoorwaarde voor een geslaagd project. De contacten tussen de betrokken leerkrachten zijn bepalend voor het succes. Als face-to-face contacten goed verlopen is succes eerder te verwachten dan wanneer dat niet het geval is.

·        Van wezenlijk belang is de continuïteit van de activiteiten en de continuïteit van de leerkracht. Het is niet goed voor het project als de uitvoer hiervan wordt onderbroken door afwezigheid van de docent.

·        Zorg ervoor dat de leerlingen zich binden / vastleggen aan het project en aan jou.

·        Zorg dat de kwaliteit van de activiteiten en producten in orde is. Het wordt als negatief ervaren als de kwaliteit hiervan tegenvalt, bijvoorbeeld als de emails vaak kort zijn, er veel spel- en stijlfouten inzitten of er helemaal geen antwoord gegeven wordt gegeven op emails.

·        Een gezamenlijke afsluiting van een project is altijd een aanrader en geeft een project een extraatje mee.

3.2         Gouden regels

Als Gouden Regels de volgende:

·        Maak een duidelijke beschrijving van het project.

·        Zorg voor gestructureerde opdrachten.

·        Probeer het project in te passen in het lesprogramma (aansluiten op de lesstof zodat het ook lesstof kan vervangen).

·        Maak leerkrachten duidelijk wat het project hen kan opleveren.

·        Begin vooral op een laag niveau en bouw verder op succeservaringen.

·        Zorg voor positieve feedback van de leiding (en / of ICT-coördinator) op het werk van de leerkrachten.

·        De deelnemende personen moeten het willen doen.

·        Zorg voor geschikte partners!

·        Zorg voor goede contacten tussen deelnemers.

·        Zorg voor overeenstemming tussen betrokkenen rondom het doel en de vormgeving van het project.

·        Zorg voor een duidelijke, haalbare planning, met een duidelijke begin- en eindtijd.

·        Maak duidelijke, concrete en gedetailleerde afspraken.

·        Zorg voor continuïteit.

·        Zorg voor facilitering.

·        Maak gebruik van voorbeelden.

·        Zorg dat de kwaliteit van de activiteiten en producten in orde is.

·        Zorg voor een goede voorbereiding (men moet over het juiste materiaal en voldoende kennis beschikken).

·        Zorg voor een goede afsluiting.

·        Ga ervan uit dat niet alles zal lopen zoals gepland.

3.3         Checklist voor deelnemers (leerkrachten)

3.3.1       Ontwerpen van een project:

·        Het is van belang om een project te ontwerpen met een duidelijk doel in gedachten. De inhoud en werkwijze van het project moeten op dit doel aansluiten (zie paragraaf 1.1).

·        Beschrijf het hoofddoel en de nevendoelen van het project (zie paragraaf 1.1.2).

·        Bepaal, aan de hand van de inhoud en het onderwerp van het project, voor welke groepen het project bedoeld is (zie paragraaf 1.2).

·        Zorg voor een goede beschrijving van kennis en vaardigheden waarover de leerlingen die aan het beoogde communicatieproject gaan deelnemen moeten beschikken en een beschrijving van de eisen aan organisatievormen en gehanteerde onderwijskundige modellen (zie paragraaf 1.2.2).

·        Bepaal de inhoud van het project en beschrijf welke onderwerpen en sub-onderwerpen in het project aan bod zullen komen (zie paragraaf 1.3).

·        Geef duidelijk aan wat de activiteiten van de kinderen tijdens het project zullen zijn en wat er van de leerkrachten verwacht gaat worden (zie paragraaf 1.4).

·        Zorg voor een lijst van benodigde materialen (zie paragraaf 1.5).

·        Beschrijf welke producten er gemaakt worden tijdens het project en wat er gaat gebeuren met de producten die in het project gemaakt worden (zie paragraaf 1.6).

·        Zorg voor een duidelijke en realistische (haalbare) planning (zie paragraaf 1.7).

·        Geef aan hoe men het project kan inpassen in het lesprogramma en welke nieuwe kennis en vaardigheden zullen worden aangeleerd in het project (zie paragraaf 1.8).

·        Maak een duidelijke beschrijving van het communicatieproject. Zorg verder dat er bij de beschrijving van het project praktische voorbeelden worden gegeven (zie paragraaf 1.9).

3.3.2       Uitvoeren van een project:

·        Zorg voor voldoende en goede begeleiding van leerkrachten en leerlingen (zie paragraaf 2.1.2).

·        Zorg voor geschikte partners (zie paragraaf 2.1.3)

·        Zorg voor goede afspraken tussen de verschillende deelnemers (zie paragraaf 2.1.4).

·        Zorg voor goed contact tussen de deelnemers (zie paragraaf 2.1.5).

·        Zorg voor een goede voorbereiding van het project (zie paragraaf 2.1.6).

·        Zorg voor een introductie van het project (zie paragraaf 2.2.1).

·        Zorg voor een goed geplande periode van evaluatie na afloop van het project (zie paragraaf 2.2.2).

·        Zorg voor een gezamenlijke afsluiting van het project (zie paragraaf 2.2.3).

3.4         Beschikbare achtergrondinformatie

3.4.1       Zoeken van informatie

De leerkracht moet weten hoe de leerlingen achtergrondinformatie kunnen vinden die ze nodig hebben bij het uitvoeren van het project.

Denk hierbij aan zoekmachines op het internet, zoals:

-         www.google.nl

-         www.altavista.com

Beiden bieden ook de mogelijkheid om afbeeldingen te zoeken.

Een nuttige site met betrekking tot onderwijs is bijvoorbeeld:

-         http://www.leren.nl/

3.4.2       Achtergrondinformatie over verschillende onderwerpen

De docent kan zelf vast een lijst maken met een aantal nuttige websites over bepaalde onderwerpen.

Men moet uiteraard ook de bibliotheek niet vergeten.

3.4.3       Voorbeelden van projecten:

-         Berenproject

http://www.edu.amsterdam.nl/CIAO/CORE/00/39/0.HTML

-         "The image of the other"

http://www.edu.amsterdam.nl/CIAO/CORE/00/07/60.HTML

3.4.4       Netiquette

Informatie over netiquette (omgangsvormen op het internet) is bijvoorbeeld te vinden op:

-         http://www.albion.com/netiquette/

Een duidelijk overzicht van een aantal regels vindt men op:

-         http://www.albion.com/netiquette/corerules.html

3.4.5       Het vinden van een partner

Via de volgende site kan men op zoek gaan naar klassen om mee samen te werken:

-         http://www.iecc.org/

Een andere manier om scholen en klassen te vinden is via het Europees Scholen Project:

-         http://www.kuleuven.ac.be/soi/esp/esphome.htm

3.5         Evaluatie tools

Met een evaluatie kan men bepalen of de gewenste leerdoelen zijn behaald en of het project verder naar wens is verlopen. Men kan het project evalueren aan de hand van vragen aan de leerkracht en / of vragen aan de leerlingen.

3.5.1       Een vragenlijst voor de docent:

Voorbereiding

Hoe tevreden ben je over:

-         De manier waarop de voorbereiding verliep?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

-         De hoeveelheid tijd die de voorbereiding kostte?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

-         Het inzicht dat de voorbereiding gaf in de doelstelling en de invulling van het project?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

Materiaal (opdrachten, werkbladen e.d.)

Hoe tevreden ben je over:

-         De tijd die het kostte om de activiteiten  / opdrachten uit te voeren?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

-         De hoeveelheid hulp die de leerlingen nodig hadden bij het uitvoeren van de opdrachten?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

-         De kwaliteit van de producten?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

Uitvoering

Hoe tevreden ben je over:

-         De haalbaarheid van de gemaakte planning?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

-         De mate waarin het doel van het project is behaald?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

Stel hierbij een of enkele van de volgende vragen (afhankelijk van het doel van het project)

a. de mate waarin de leerlingen de beoogde vaardigheden hebben geleerd?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

b. de mate waarin de attitude van de leerlingen veranderd is?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

c. de motivatie van de leerlingen?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

Indien het project curriculumvervangend was:

-         Hoeveel de leerlingen hebben geleerd van het project vergeleken met wat ze anders hadden geleerd van de normale methode?

zeer ontevreden / ontevreden / neutraal / tevreden / zeer tevreden

OPMERKINGEN:

 

Tot slot

Wat zou er verbeterd kunnen worden?

 

3.5.2       Een vragenlijst voor de leerlingen:

-         Vond je de voorbereiding op het project duidelijk?

Nee, helemaal niet / nee, niet echt / neutraal / ja, een beetje / ja, heel erg

OPMERKINGEN:

 

-         Vond je de opdrachten / activiteiten duidelijk?

Nee, helemaal niet / nee, niet echt / neutraal / ja, een beetje / ja, heel erg

OPMERKINGEN:

 

-         Vond je de activiteiten leuk?

Nee, helemaal niet / nee, niet echt / neutraal / ja, een beetje / ja, heel erg

OPMERKINGEN:

 

-         Heb je veel geleerd van het project?

Nee, helemaal niet / nee, niet echt / neutraal / ja, een beetje / ja, heel erg

OPMERKINGEN:

 

-         Vond je het project als geheel leuk?

Nee, helemaal niet / nee, niet echt / neutraal / ja, een beetje / ja, heel erg

OPMERKINGEN:

 

Naast het stellen van vragen aan de leerlingen, kan men ook de kennis en vaardigheden van leerlingen meten, om te bepalen of de leerdoelen van het project gehaald zijn.

3.5.3       Verwerken van de resultaten

De resultaten van de vragenlijsten kunnen verwerkt worden in een spreadsheet waarin op eenvoudige wijze een gemiddelde kan worden uitgerekend.

In Excel gaat dit als volgt:

-         Zet op de verticale as de vragen en op de horizontale as de personen.

-         Vul de antwoorden in die personen op de vragen hebben gegeven, vervang hierbij zeer ontevreden door 1, ontevreden door 2, neutraal door 3, tevreden door 4 en zeer tevreden door 5 (en idem voor Nee, helemaal niet tot en met ja, heel erg).

-         Zet een = -teken in het vakje rechts naast de laatste persoon.

-         Kies linksboven “AVERAGE” of “GEMIDDELDE” uit het lijstje en selecteer de reeks waarover je het gemiddelde wilt uitrekenen (alle antwoorden op één vraag).


Intern@tionale Interculturele Bruggen  ^

home
e-mail

4  Bronnen

Vraaggesprekken in juni 2001 met:

-         Antoinette Klaphake, ICT coördinator St. Jan school

-         Eric Kleipool, ICT bestuursmedewerker Stichting Bijzonderwijs en betrokken bij communicatieprojecten (e-mail) op De Knotwilg

-         Frank de Wit, adjunct-directeur Dr. Rijk Kramerschool

Brugmans, A (2000). ICT in een krachtige leeromgeving voor jonge kinderen, Utrecht: APS  

Healey, D., Robb, T., & Corio, R. (1998). DOs and DON'Ts for Using the Internet in Your Class. Beschikbaar op: http://ucs.orst.edu/~healeyd/pci/dos_donts.html

Mello, V. (1998). Report on a Penpal Project, and Tips for Penpal-Project Success. The Internet TESL Journal, Vol. IV, No. 1. Beschikbaar op: http://iteslj.org/Techniques/Mello-Penpal.html

Robb, T.N. (1996). E-Mail Keypals for Language Fluency. Foreign Language Notes (Foreign Language Educators of New Jersey), Vol 38, No. 3, pp 8-10. Beschikbaar op: http://www.kyoto-su.ac.jp/~trobb/keypals.html

Verschuren, P. & Doorewaard, H. (1998). Het ontwerpen van een onderzoek. Lemma BV: Utrecht.

Vilmi, R. (1994). Global Communication Through E-mail: An Ongoing Experiment at Helsinki University of Technology. EUROCALL 94 Conference, Karlsruhe. Beschikbaar op: http://www.ruthvilmi.net/hut/autumn93/global.html

Warschauer, M. & Whittaker, P.F. (1997). The Internet for English Teaching: Guidelines for Teachers. Originally published in the TESL Reporter 30,1 (1997), pp. 27-33. Beschikbaar op: http://www.aitech.ac.jp/~iteslj/Articles/Warschauer-Internet.html


Intern@tionale Interculturele Bruggen  ^

home
e-mail